Column

Vanaf zomer 2016 is er een column op de website van Redichem. Ongeveer twee maal per maand een nieuwe. 

Italië was dit jaar de bestemming van onze vakantie, in een plaatsje schurkend tegen de Adriatische zee aan. Weken van te voren heb ik al veel wazige websites afgestruind om te kijken of wellicht de in de buurt liggende profclubs iets van een oefenpartijtje zouden spelen. Helaas, op de websites van Ravenna Calcio, SPAL 2013 en Bologna F.C. 1909 is niets te vinden. Balen, maar de Italiaanse competitie begint pas in het weekend dat wij net vertrekken en het netjes bijhouden van een website is nou niet een punctualiteit waaraan Italianen zich strikt houden.

Het einde van het seizoen is nu daar. Tijd voor andere dingen die erbij ingeschoten zijn omdat je twee keer per week in de avond trainen moest en op zaterdag deze opgedane trainingservaring in de praktijk probeerde te brengen. Misschien merkte je tijdens het seizoen dat je lichaam zich steeds beter ontwikkelde en dat je conditie door al die uren van trainen met paardensprongen vooruit ging.

Nooit wat gewonnen. Geen landskampioenschap, K.N.V.B.-beker (wel driemaal de finale gehaald: allemaal verloren), ook geen Johan Cruijff schaal. Wat voor ons een prijs is, is Europees voetbal halen. Via de eindstand of via de playoffs. Dat we vaak na een of twee voorrondes er weer uit liggen, dat mag de pret niet drukken.

Het gros van de voetballers bedrijft hun geliefkoosde voetbalsport al vanaf zeer jonge leeftijd. De huidige generatie voetballers is meestal in de F-jeugd begonnen en heeft daarna alle selecties van de jeugd tot aan de A-junioren doorlopen. Afhankelijk van het geërfde talent, geleverde inspanningen en de ontwikkeling daarvan, kom je als voetballer in de selectie of een lager elftal terecht. Je ontwikkelt je als speler van “belofte” via “dragende” speler, tot gevestigde “routinier” of je glijdt langzaam af en bewandelt de snelste route richting kantineheld. Ook niks mis mee.

In mijn jeugdjaren met voetbal was ik van de eerste lichting jongentjes die weleens op kunstgras speelde. Niet om tegen iets aan te trappen om het willen trappen, maar met gemeende ernst: Ik heb het nooit wat gevonden.

Het is nu dag tien na de historische bekerwinst van Vitesse op AZ. Ik kan het eigenlijk nog steeds amper geloven dat het ons dan eindelijk gelukt is. Het gevoel is met geen pen te beschrijven en toch waag ik een poging.

De kleedkamer is ogenschijnlijk dé ruimte bij uitstek waarin het mogelijk is om van kleding te wisselen. Niets meer, niets minder. Hoewel, je kunt je er ook rustig voorbereiden op de wedstrijd, tactieken bespreken en, veel belangijker, een dolletje maken met je teamgenoten. Althans, zo gaat dat wel in mijn beleving.

Zaterdagmiddag, 12:00 uur. De geur van versgebakken frikandellen dwarrelt al over het sportpark. De scheidsrechter blaast op z’n fluitje, het startsignaal van je wekelijkse anderhalf uur vermaak. Terwijl iedereen geconcentreerd staart naar de bal heb ik opstartproblemen. Mijn aandacht verlegt zich namelijk al snel naar mijn directe tegenstander: “oh jee, als híj het maar niet is”.

De ouderwetse voetbalkantine is een uitstervend ras, net zoals een bruin café, circussen of kinderen die nog knikkeren om Panda's, Rode Duivels en Turtle's (jaren negentig, mensen). Zoals de tijd alles doet opslokken met moderniteiten, zo ontkomt ook een voetbalkantine niet aan zo'n metamorfose.