De echte clubsupporter vind je vaak in de uitvakken. De mensen die voor dag en dauw opgestaan zijn om hun club aan de andere zijde van het land te zien spelen en aan te moedigen. Sjaaltjes en vlaggen die in de bus of auto aan de raamzijde opgehangen worden, mannen die in een lange rij naast elkaar in een sloot bij een Shell-tankstation staan te plassen tijdens een pauze.

Graag kijk ik naar Match of the Day op de BBC en altijd hoop ik dat de uitspelende club de winnende goal in de laatste seconde van de wedstrijd scoort, daar waar de uitsupporters achterstaan. Kippenvel. Een ontploffing van liefde en geluk. Clubkleuren die in elkaar verstrengeld raken. Mannen van in de zestig die gek van vreugde worden. Voetbal in zijn zuiverste vorm van emotie.

Het gevoel van in een uitvak staan is heerlijk. De supporters van de thuisspelende club lopen je te jennen, middelvingers en scheldpartijen vliegen over en weer. In een uitvak staan betekent dat je iets verdedigt. Je bewaakt je territorium van stad en clubkleuren, je liefde, je trots.

In een uitvak staan is ook vaak ondankbaar. Bij -15 graden kansloos met 4-1 ten onder gaan en weer 200 kilometer terug naar huis moeten rijden terwijl je helemaal verkleumd van de kou bent, toiletten die soms zo smerig zijn of een heel slecht zicht hebben op het veld omdat het uitvak weg gepropt is in een uithoekje.

De liefde voor je club is als de liefde van je leven, je hebt weleens woorden, maar je praat het uiteindelijk altijd weer uit omdat je niet zonder elkaar kunt. Ajax-uit verliezen we negen van tien de keer, maar stel je nou eens voor dat je juist die ene winstpartij net zou missen. Daarom ga je.