De kleedkamer is ogenschijnlijk dé ruimte bij uitstek waarin het mogelijk is om van kleding te wisselen. Niets meer, niets minder. Hoewel, je kunt je er ook rustig voorbereiden op de wedstrijd, tactieken bespreken en, veel belangijker, een dolletje maken met je teamgenoten. Althans, zo gaat dat wel in mijn beleving.

Als jeugdspeler stapte ik altijd in voetbalkleding op de fiets richting het Wilhelmina Sportpark, legde ik bij hoge uitzondering mijn voetbalschoenentasje in de kleedkamer, en fietste ik na de training in dezelfde, weliswaar bezweette, voetbalkleding terug naar huis. Vaak ook niet bezweet. Van de kleedkamerrituelen was ik toen nog niet op de hoogte, dat begon echt pas te leven toen het junioren- en later seniorenvoetbal om de hoek kwam kijken. Dat slappe kleedkamer-geouwehoer, met een grap en een grol, leidde vaak tot de nodige hilarische capriolen.

Bij het betreden van de kleedkamer wist ik altijd gelijk naast wie ik wél-, maar ook heel goed naast welke zuurmuilen ik niét moest gaan zitten. Een teamgenoot zo wit als een lijk en met z’n wallen op half drie, daar zat ik altijd zo ver mogelijk bij vandaan. Want je kunt er de klok op gelijk zetten, met 15 man in zo’n klein hok wordt het behoorlijk winderig en vliegen de darmgassen je om de oren. Eén ding staat vast: de rotte eierlucht van je teamgenoten die een zware stapavond achter de rug hebben, gaat vaak door merg en been. Afschuwelijk, maar het levert tevens vaak de nodige hilariteit op.

Veters die worden stukgetrokken, boxers en handdoeken die worden vergeten, tape van enkels dat moet worden verwijderd (zonder je enkels een scheerbeurtje te hebben gegeven), tijgerbalsem in andermans onderbroek smeren en elkaars olifantenslurven vergelijken. Een breed scala aan voorbeelden van de eigenaardige humor van voetballers, dat vaak flauw, maar toch uitgekiend is. Toch is juíst deze flauwe “kleedkamerhumor” voor mij ontegenzeggelijk één van de grootste redenen waarom ik voetballen zo leuk ben gaan vinden. Ik mis het.