In mijn jeugdjaren met voetbal was ik van de eerste lichting jongentjes die weleens op kunstgras speelde. Niet om tegen iets aan te trappen om het willen trappen, maar met gemeende ernst: Ik heb het nooit wat gevonden.

 

Kunstgras is voor mij letterlijk en figuurlijk plastic. In de wintermaanden is het nog wel een uitkomst om fatsoenlijk een keer op te oefenen met een wedstrijdje of te trainen, maar verder… Op echt gras spelen is het mooiste wat er is. De geur van vers gemaaid gras zouden ze in een flesje moeten stoppen, wedje maken dat veel voetballers bij de Douglas dan dat luchtje kiezen.

Modder, slidings, krijt aan de benen, vieze broekjes en een besmeurd gezicht. Voetbal op gras maakt van jongentjes mannen i.p.v. de tegenwoordige kunstgrasvelden die er zaalvoetballers van maken. Ik begrijp het gemak voor een amateurclub met veel leden dat kunstgras praktischer is, maar betaald voetbal op plastic? Ik gruwel ervan!

Na vele wedstrijden in binnen en buitenland gezien te hebben, is mijn conclusie simpel. Wij in Nederland hebben weinig liefde voor het gras, we zijn liever praktisch ingesteld. Daar waar wel de liefde aanwezig is, komt het goed. Het veld van Feyenoord word ieder jaar als beste veld beoordeeld door alle clubs. De mat in Gelredome komt er ook altijd prima uit. En weet je welke velden het slechts scoren in die test? Juist, de kunstgrasvelden. Dus K.N.V.B., schaf in het betaald voetbal dat ‘plastic fantastic’ af, laat mannen weer zoals vroeger in ieder stadion die groene weide betreden. Kleine clubs laten het gras wat hoger staan als Ajax op bezoek komt, doelmannen die weer duiken in moederpoelen in hun vijf metergebied.

Hopelijk komt mijn zoontje ooit thuis van de voetbaltraining met vieze modderkleding, met een glimlach zal ik de was doen.